Gesprek met mevr. H. ten Broek (1926) te Spijkenisse op 27 april 2009

Een leven in de kraamzorg. Bijna alle functies die daar te onderscheiden waren, werden door haar vervuld. Aanstekelijk weet zij erover te vertellen en dikwijls komen pretoogjes bij al die herinneringen terug. Ze was streng maar rechtvaardig, iets wat dikwijls aangehaald werd op haar afscheidsreceptie in 1986. In haar appartement heb ik een gesprek met haar.

Hoe bent u in de kraamzorg terecht gekomen?

Geboren in Rotterdam verloor ik al op jonge leeftijd mijn moeder. Aangezien mijn vader de ouderlijke macht was ontzegd, werd ik vooral gestimuleerd door mijn voogd. Ik had enkel lagere school en werkte nadien in een aantal gezinnen als dienstbode. Mede door de invloed van deze voogd werd ik kort na de oorlog naar Terneuzen gestuurd naar een korte opleiding voor bejaardenverzorgster. Dat opende een nieuwe wereld voor mij zodat ik me later wel eens afgevraagd heb wat er anders van mij terecht zou zijn gekomen. Ik besloot hierna in de kraamzorg verder te gaan.

U bent toen naar een kraaminternaat gegaan?

Inderdaad, in mijn geval was dat in een groot herenhuis in Leiden. In 1946 behoorde ik tot de tweede lichting van 13 meisjes die daar een vormingsprogramma doorliep. Het was toen allemaal nog erg in opbouw. Bepaald opmerkelijk voor die tijd was het feit dat er zowel een directrice als een leidster docente was, waarvan de een uit het Groene Kruis voortkwam en de ander uit het Wit Gele Kruis. Die samenwerking verliep vlekkeloos. Na die leerperiode van drie maanden ging ik een jaar stage lopen onder leiding van een leidster docente.

Hoe kijkt u terug op dat leerproces?

Ik herinner het me als een bijzonder leuke tijd waar ik bovendien in korte tijd veel geleerd heb. Op een huishoudschool kregen we kooklessen en allerhande informatie aangereikt over gezonde voeding. Verder informeerde een huisarts ons een aantal keer en wat me erg aansprak waren lessen in ethiek. Bij dat laatste lag de nadruk op goede omgangsvormen, weten wat je plaats is. Dat was noodzakelijk omdat je in je latere carrière in een grote verscheidenheid van gezinnen te werk gesteld werd van arm naar rijk. Het was nadrukkelijk de bedoeling in die naoorlogse jaren vooral ook de arme gezinnen te bereiken met kraamzorg.

Onder wat voor omstandigheden moest u werken?

Ergens had ik het nadeel dat ik tamelijk fors en flink uitgevallen was waardoor ik vaak ingezet werd in zeer grote gezinnen waar veel werk te verzetten was. Vooral in de beginjaren was het salaris niet riant. Je werd per dag uitbetaald; werkte je een aantal dagen niet dan had je ook geen inkomsten.Tot 1950 bleef ik verbonden aan het kraamcentrum in Leiden. Vaak moest ik naar de omliggende dorpen. Dan zat je morgens om 7 uur op je fiets zodat je om 8 uur op de plaats van bestemming was. Daarna was het de hele dag werken tot 19 uur waarna dezelfde fietsroute in de omgekeerde richting volgde. Bleef je bij zo’n gezin slapen dan kreeg je daar één gulden extra voor. Overigens gaf ik er de voorkeur aan het hele eind maar te fietsen want anders bleef men je toch maar lastig vallen met allerhande klusjes die nog in huis gedaan moesten worden. Het was gewoon heel hard werken. Leiden zelf was een echte werkstad waar onder grote delen van de bevolking armoede was. Toen ik later in Woerden werkte zag je daar het fenomeen dat vooral de grote boerengezinnen volledig interne kraamzorg vroegen, compleet met overnachting van de kraamhulp bij het gezin.

Wie deed toen de bevalling?

In Leiden waren dat vooral semi-artsen, een groep van jonge medici die met hun co-schap bezig waren. Het prettige bij hen was dat ze altijd ruim van tevoren aanwezig waren indien de weeën begonnen en het kraamgezin kreeg bovendien nog 15 gulden cadeau omdat ze een plaats hadden aangeboden aan een aankomend arts in opleiding. Vroedvrouwen waren in opkomst maar huisartsen leidden daar weinig bevallingen.

Hoe ging uw carrière na 1950 verder?

Aangezien ik geen zin had om heel mijn leven alleen maar die huishoudelijke taken te blijven doen, besloot ik de opleiding tot verpleegkundige in datzelfde Diaconessenziekenhuis te gaan volgen waar ik later ook mijn A-diploma gehaald heb. Bepaald een lachertje was dat ik daarbij opnieuw mijn diploma kraamzorg moest behalen omdat dat van de kruisorganisaties niet officieel erkend werd. Zodoende heb ik op dit terrein zelfs tweemaal mijn aantekening gehaald maar ik blijf van mening dat ik op het kraamcentrum veel meer geleerd heb. In 1956 behaalde ik mijn wijkaantekening in Amsterdam.

Als ik het goed begrijp hebt u in die periode zonder inkomsten gezeten?

Ja, dat klopt ofschoon we wel een kleine vergoeding kregen van het Diaconessenziekenhuis.

Ik herinner me nog goed dat we als groep leerling-verpleegkundigen gevraagd werden één week in te vallen in een groot ziekenhuis. We kregen daar per persoon zestig gulden voor, in die dagen een vermogen!

U solliciteerde vervolgens naar de functie van adjunct leidster docente in Woerden. Wat voor taken kreeg u toen?

Het was nog een kleine organisatie met ongeveer 18 medewerkers. Hier werd veel dag en nacht kraamzorg gevraagd. Met de omliggende dorpen was het een rijke streek die ook zeer vruchtbaar was. Ook in de grootte van de gezinnen bleek dat. Ik heb het meegemaakt dat in één gezin 22 kinderen rondliepen waarvoor zelfs twee kraamverzorgenden ingezet werden. Het begeleiden van leerlingen was mijn belangrijkste taak maar vaak deed ik zelf daarbij veel uitvoerend werk zodat de leerling daaraan een voorbeeld kon nemen. Per kraamperiode van tien dagen zag ik de leerling meestal twee keer. Met mijn arbeidsverleden had ik wel leren poetsen in een huishouden en dat bracht ik dan op deze nieuwe lichting over. De al vóór de oorlog ontwikkelde begrippen van ‘rust, reinheid en regelmaat’’ vormden een basis voor het werk. Ook gaf ik zelf les, vooral met betrekking tot het vormende aspect. De meeste meisjes kwamen uit de lagere sociaal-economische milieus, spraken enkel dialect en hadden niet geleerd met twee woorden te spreken. Voor velen was het opnemen van de telefoon echt nog een barrière in het begin. Daar schoolden we deze leerlingen in bij.

Hoe kwam u uiteindelijk in Spijkenisse terecht?

We schrijven inmiddels 1962. Via een Inspecteur van het Staatstoezicht die kraamzorg in portefeuille had ik het advies gekregen te solliciteren naar de functie van directeur van een kraaminternaat. Ik voelde daar echter niet voor en zag dat er een vacature was voor een leidster docente in Spijkenisse. Ofschoon het hier geen eiland meer was, inmiddels was er een brug gekomen, was het hier nog een tamelijk achtergebleven gebied. Spijkenisse was nog een klein dorp van iets meer dan 2000 inwoners, net als Hellevoetssluis trouwens.

Wat trof u bij uw komst aan?

Een kleine organisatie in opbouw dat los stond van het kruiswerk. Op dat moment waren er 13 kraamverzorgsters en was er 1 adjunct. Het kraamcentrum had een eigen bestuur maar bovenmatig zich inspannen deden die lieden zeker niet. Het leek meer om de eer dan om de inhoud van de zorg te gaan. Het DB bestond uit een gemeentesecretaris, een industrieel en een huisarts. De penningmeester moest ik regelmatig achter zijn broek aanzitten om de salarissen op tijd over te maken en was bij een begrotingsbespreking alleen maar geïnteresseerd of er een positief saldo was. De notulen werden door de leidster docente geschreven die ook de bestuursagenda opstelde. Gelukkig kwam daar in later dagen een zeer gemotiveerde huisarts bij die ik op ieder moment van de dag om raad en daad kon vragen. Na de eerste moeizame opbouwjaren met een slap bestuur is dat gelukkig volledig omgeslagen en heb ik hier verder met veel plezier gewerkt.

Hoe ontwikkelde het geheel zich verder?

Later sloten andere gemeenten zich bij ons centrum aan. Zo kwam rond 1980 Goeree Overflakkee erbij. Daaruit kwam een nieuwe gemeentesecretaris naar voor die voorzitter werd en wel de moeite nam zich serieus met de zaak te bemoeien. Verder loste ik binnen een sterk uitbreidende organisatie veel dingen zelf op. Als er al eens problemen met een kraamverzorgster waren dan stelde ik het bestuur hier achteraf over in kennis. Eenmaal heb ik iemand ontslagen. Als er klachten over een kraamverzorgster waren, nam ik die dikwijls mee naar de reclamerende partij. Helaas begon die dan dikwijls terug te krabbelen zodat van de klacht weinig overbleef.

Kreeg u bij de uitoefening van uw werk nog van andere kanten ondersteuning?

Maandelijks ontmoetten de leidingen van de Zuid-Hollandse kraaminternaten elkaar in den Haag bij de Provinciale Kruisvereniging. Een nuttig overleg ofschoon ik toch wel met enige regelmaat tegen mijn collega’s zei dat we daar niet waren om de problemen van elkaar op te lossen. Wel frappeerde mij de grote verschillen in werkwijze tussen de grote steden en de plattelandsgebieden. Zo begon in de grote steden de komst van allochtonen steeds meer een stempel op het werk te drukken.

Hoe keek u tegen het werk in Rotterdam en den Haag aan?

Na enige aarzeling: een lichtelijk hautaine houding was daar dikwijls merkbaar, zo van wij weten wel hoe je dit soort problemen moet aanpakken. Er werd ook nog wel eens lacherig overgedaan of wij -buiten de grote steden- alleen maar op een fiets of in een auto zaten om van de ene plaats naar de andere te gaan. Maar dan haalden wij onze schouders maar eens op.

Had u hier ook wijkkraamzorg?

Bij mijn komst was het er niet maar ik heb dat ingesteld. Reden was dat er steeds een schreeuwend tekort aan interne kraamverzorgenden bleef. Vooral veel oudgedienden, die gestopt waren toen zij trouwden, heb ik toen opgezocht en gevraagd ons bij te staan. Met de uitbouw van het Botlekgebied en de komst van de Verolmewerf groeide de zaak hier als kool en kwamen er heel veel jonge gezinnen bij.

Was er iets van rivaliteit tussen de interne en de wijkkraamzorg te merken?

Amper of niet. Dat kwam omdat de meeste vroeger zelf interne kraamzorg hadden geleverd. Het criterium dat ik hanteerde was dat het goede kraamverzorgsters moesten zijn.Toen ik in 1986 stopte waren er op een bestand van 130 kraamverzorgenden ongeveer 25 binnen de wijkkraamzorg actief. Het liep ook goed omdat Surinaamse, Turkse en Marokkaanse gezinnen voorkeur gaven aan deze vorm van kraamzorg. Als leidster docente schuwde ik overigens dikwijls niet om hand en spandiensten aan het kraambed aan te bieden. Het tekort aan krachten maar ook het feit dat ik het leuk werk bleef vinden, droegen ertoe dat ik zo nu en dan zelf inviel als wijkkraamverzorgster.

Wie leidden de bevallingen in die periode van 24 jaar in dit gebied?

Aanvankelijk vooral de huisartsen met wie met het overgrote deel een uitstekende samenwerking bestond. Indien een leerling-kraamverzorgende voor de eerste keer bij een bevalling zou assisteren, dan belde ik die huisarts persoonlijk en vertelde dan dat dit haar eerste keer was. Altijd zei hij dan dat daar rekening meegehouden zou worden. Geleidelijk aan werd steeds meer deze plaats overgenomen door verloskundigen. Met de eerste was de samenwerking moeizaam, bij de daarop volgenden ging dit echter steeds moeilijker.

Hebt u zich nog bemoeid met het werk na uw pensionering?

Zeker, ik was nou niet direct het type om achter de geraniums te gaan zitten. Intensief heb ik me landelijk bemoeid met de sluiting van de kraaminternaten en de overgang naar de MBO-V. Veelvuldig werd ik ook nog gevraagd als gecommitteerde bij het afnemen van examens.

Als de bandrecorder afstaat, constateert ze dat op een mooi en arbeidzaam leven kan terugkijken. Het gaf haar veel voldoening. Over de hedendaagse kraamzorg is ze bepaald niet enthousiast. Ze zullen wel zeggen’ daar heb je zo een oud mens weer’ en ‘vroeger was alles beter’ maar met spijt in het hart heeft ze moeten constateren dat de aangeboden zorgverlening veel minder geworden is. Minder uren, minder deskundigheid. Vaak ook verschillende kraamverzorgenden op één dag rondom een kraamvrouw. Ze vraagt zich hardop af of de hedendaagse kraamverzorgsters nog weten hoe een menstruatiecyclus in elkaar zit. Naar haar mening heeft de MBO-V, waar voor niet minder dan vijf richtingen wordt opgeleid, de zaak geen goed gedaan. Maar de dingen gaan zo als ze gaan. Wel heeft dat arbeidzame leven er voor gezorgd dat ze nog veel oud collega’s regelmatig ontmoet. Vaak is dat meeleven met elkaars verdriet maar vaak wordt er dan ontzettend veel gelachen.

Spijkenisse, 2009
J.J.C. Huige

 

Een leven in de kraamzorg. Bijna alle functies die daar te onderscheiden waren, werden door haar vervuld. Aanstekelijk weet zij erover te vertellen en dikwijls komen pretoogjes bij al die herinneringen terug. Ze was streng maar rechtvaardig, iets wat dikwijls aangehaald werd op haar afscheidsreceptie in 1986. In haar appartement heb ik een gesprek met haar.

Hoe bent u in de kraamzorg terecht gekomen?

Geboren in Rotterdam verloor ik al op jonge leeftijd mijn moeder. Aangezien mijn vader de ouderlijke macht was ontzegd, werd ik vooral gestimuleerd door mijn voogd. Ik had enkel lagere school en werkte nadien in een aantal gezinnen als dienstbode. Mede door de invloed van deze voogd werd ik kort na de oorlog naar Terneuzen gestuurd naar een korte opleiding voor bejaardenverzorgster. Dat opende een nieuwe wereld voor mij zodat ik me later wel eens afgevraagd heb wat er anders van mij terecht zou zijn gekomen. Ik besloot hierna in de kraamzorg verder te gaan.

U bent toen naar een kraaminternaat gegaan?

Inderdaad, in mijn geval was dat in een groot herenhuis in Leiden. In 1946 behoorde ik tot de tweede lichting van 13 meisjes die daar een vormingsprogramma doorliep. Het was toen allemaal nog erg in opbouw. Bepaald opmerkelijk voor die tijd was het feit dat er zowel een directrice als een leidster docente was, waarvan de een uit het Groene Kruis voortkwam en de ander uit het Wit Gele Kruis. Die samenwerking verliep vlekkeloos. Na die leerperiode van drie maanden ging ik een jaar stage lopen onder leiding van een leidster docente.

Hoe kijkt u terug op dat leerproces?

Ik herinner het me als een bijzonder leuke tijd waar ik bovendien in korte tijd veel geleerd heb. Op een huishoudschool kregen we kooklessen en allerhande informatie aangereikt over gezonde voeding. Verder informeerde een huisarts ons een aantal keer en wat me erg aansprak waren lessen in ethiek. Bij dat laatste lag de nadruk op goede omgangsvormen, weten wat je plaats is. Dat was noodzakelijk omdat je in je latere carrière in een grote verscheidenheid van gezinnen te werk gesteld werd van arm naar rijk. Het was nadrukkelijk de bedoeling in die naoorlogse jaren vooral ook de arme gezinnen te bereiken met kraamzorg.

Onder wat voor omstandigheden moest u werken?

Ergens had ik het nadeel dat ik tamelijk fors en flink uitgevallen was waardoor ik vaak ingezet werd in zeer grote gezinnen waar veel werk te verzetten was. Vooral in de beginjaren was het salaris niet riant. Je werd per dag uitbetaald; werkte je een aantal dagen niet dan had je ook geen inkomsten.Tot 1950 bleef ik verbonden aan het kraamcentrum in Leiden. Vaak moest ik naar de omliggende dorpen. Dan zat je morgens om 7 uur op je fiets zodat je om 8 uur op de plaats van bestemming was. Daarna was het de hele dag werken tot 19 uur waarna dezelfde fietsroute in de omgekeerde richting volgde. Bleef je bij zo’n gezin slapen dan kreeg je daar één gulden extra voor. Overigens gaf ik er de voorkeur aan het hele eind maar te fietsen want anders bleef men je toch maar lastig vallen met allerhande klusjes die nog in huis gedaan moesten worden. Het was gewoon heel hard werken. Leiden zelf was een echte werkstad waar onder grote delen van de bevolking armoede was. Toen ik later in Woerden werkte zag je daar het fenomeen dat vooral de grote boerengezinnen volledig interne kraamzorg vroegen, compleet met overnachting van de kraamhulp bij het gezin.

Wie deed toen de bevalling?

In Leiden waren dat vooral semi-artsen, een groep van jonge medici die met hun co-schap bezig waren. Het prettige bij hen was dat ze altijd ruim van tevoren aanwezig waren indien de weeën begonnen en het kraamgezin kreeg bovendien nog 15 gulden cadeau omdat ze een plaats hadden aangeboden aan een aankomend arts in opleiding. Vroedvrouwen waren in opkomst maar huisartsen leidden daar weinig bevallingen.

Hoe ging uw carrière na 1950 verder?

Aangezien ik geen zin had om heel mijn leven alleen maar die huishoudelijke taken te blijven doen, besloot ik de opleiding tot verpleegkundige in datzelfde Diaconessenziekenhuis te gaan volgen waar ik later ook mijn A-diploma gehaald heb. Bepaald een lachertje was dat ik daarbij opnieuw mijn diploma kraamzorg moest behalen omdat dat van de kruisorganisaties niet officieel erkend werd. Zodoende heb ik op dit terrein zelfs tweemaal mijn aantekening gehaald maar ik blijf van mening dat ik op het kraamcentrum veel meer geleerd heb. In 1956 behaalde ik mijn wijkaantekening in Amsterdam.

Als ik het goed begrijp hebt u in die periode zonder inkomsten gezeten?

Ja, dat klopt ofschoon we wel een kleine vergoeding kregen van het Diaconessenziekenhuis.

Ik herinner me nog goed dat we als groep leerling-verpleegkundigen gevraagd werden één week in te vallen in een groot ziekenhuis. We kregen daar per persoon zestig gulden voor, in die dagen een vermogen!

U solliciteerde vervolgens naar de functie van adjunct leidster docente in Woerden. Wat voor taken kreeg u toen?

Het was nog een kleine organisatie met ongeveer 18 medewerkers. Hier werd veel dag en nacht kraamzorg gevraagd. Met de omliggende dorpen was het een rijke streek die ook zeer vruchtbaar was. Ook in de grootte van de gezinnen bleek dat. Ik heb het meegemaakt dat in één gezin 22 kinderen rondliepen waarvoor zelfs twee kraamverzorgenden ingezet werden. Het begeleiden van leerlingen was mijn belangrijkste taak maar vaak deed ik zelf daarbij veel uitvoerend werk zodat de leerling daaraan een voorbeeld kon nemen. Per kraamperiode van tien dagen zag ik de leerling meestal twee keer. Met mijn arbeidsverleden had ik wel leren poetsen in een huishouden en dat bracht ik dan op deze nieuwe lichting over. De al vóór de oorlog ontwikkelde begrippen van ‘rust, reinheid en regelmaat’’ vormden een basis voor het werk. Ook gaf ik zelf les, vooral met betrekking tot het vormende aspect. De meeste meisjes kwamen uit de lagere sociaal-economische milieus, spraken enkel dialect en hadden niet geleerd met twee woorden te spreken. Voor velen was het opnemen van de telefoon echt nog een barrière in het begin. Daar schoolden we deze leerlingen in bij.

Hoe kwam u uiteindelijk in Spijkenisse terecht?

We schrijven inmiddels 1962. Via een Inspecteur van het Staatstoezicht die kraamzorg in portefeuille had ik het advies gekregen te solliciteren naar de functie van directeur van een kraaminternaat. Ik voelde daar echter niet voor en zag dat er een vacature was voor een leidster docente in Spijkenisse. Ofschoon het hier geen eiland meer was, inmiddels was er een brug gekomen, was het hier nog een tamelijk achtergebleven gebied. Spijkenisse was nog een klein dorp van iets meer dan 2000 inwoners, net als Hellevoetssluis trouwens.

Wat trof u bij uw komst aan?

Een kleine organisatie in opbouw dat los stond van het kruiswerk. Op dat moment waren er 13 kraamverzorgsters en was er 1 adjunct. Het kraamcentrum had een eigen bestuur maar bovenmatig zich inspannen deden die lieden zeker niet. Het leek meer om de eer dan om de inhoud van de zorg te gaan. Het DB bestond uit een gemeentesecretaris, een industrieel en een huisarts. De penningmeester moest ik regelmatig achter zijn broek aanzitten om de salarissen op tijd over te maken en was bij een begrotingsbespreking alleen maar geïnteresseerd of er een positief saldo was. De notulen werden door de leidster docente geschreven die ook de bestuursagenda opstelde. Gelukkig kwam daar in later dagen een zeer gemotiveerde huisarts bij die ik op ieder moment van de dag om raad en daad kon vragen. Na de eerste moeizame opbouwjaren met een slap bestuur is dat gelukkig volledig omgeslagen en heb ik hier verder met veel plezier gewerkt.

Hoe ontwikkelde het geheel zich verder?

Later sloten andere gemeenten zich bij ons centrum aan. Zo kwam rond 1980 Goeree Overflakkee erbij. Daaruit kwam een nieuwe gemeentesecretaris naar voor die voorzitter werd en wel de moeite nam zich serieus met de zaak te bemoeien. Verder loste ik binnen een sterk uitbreidende organisatie veel dingen zelf op. Als er al eens problemen met een kraamverzorgster waren dan stelde ik het bestuur hier achteraf over in kennis. Eenmaal heb ik iemand ontslagen. Als er klachten over een kraamverzorgster waren, nam ik die dikwijls mee naar de reclamerende partij. Helaas begon die dan dikwijls terug te krabbelen zodat van de klacht weinig overbleef.

Kreeg u bij de uitoefening van uw werk nog van andere kanten ondersteuning?

Maandelijks ontmoetten de leidingen van de Zuid-Hollandse kraaminternaten elkaar in den Haag bij de Provinciale Kruisvereniging. Een nuttig overleg ofschoon ik toch wel met enige regelmaat tegen mijn collega’s zei dat we daar niet waren om de problemen van elkaar op te lossen. Wel frappeerde mij de grote verschillen in werkwijze tussen de grote steden en de plattelandsgebieden. Zo begon in de grote steden de komst van allochtonen steeds meer een stempel op het werk te drukken.

Hoe keek u tegen het werk in Rotterdam en den Haag aan?

Na enige aarzeling: een lichtelijk hautaine houding was daar dikwijls merkbaar, zo van wij weten wel hoe je dit soort problemen moet aanpakken. Er werd ook nog wel eens lacherig overgedaan of wij -buiten de grote steden- alleen maar op een fiets of in een auto zaten om van de ene plaats naar de andere te gaan. Maar dan haalden wij onze schouders maar eens op.

Had u hier ook wijkkraamzorg?

Bij mijn komst was het er niet maar ik heb dat ingesteld. Reden was dat er steeds een schreeuwend tekort aan interne kraamverzorgenden bleef. Vooral veel oudgedienden, die gestopt waren toen zij trouwden, heb ik toen opgezocht en gevraagd ons bij te staan. Met de uitbouw van het Botlekgebied en de komst van de Verolmewerf groeide de zaak hier als kool en kwamen er heel veel jonge gezinnen bij.

Was er iets van rivaliteit tussen de interne en de wijkkraamzorg te merken?

Amper of niet. Dat kwam omdat de meeste vroeger zelf interne kraamzorg hadden geleverd. Het criterium dat ik hanteerde was dat het goede kraamverzorgsters moesten zijn.Toen ik in 1986 stopte waren er op een bestand van 130 kraamverzorgenden ongeveer 25 binnen de wijkkraamzorg actief. Het liep ook goed omdat Surinaamse, Turkse en Marokkaanse gezinnen voorkeur gaven aan deze vorm van kraamzorg. Als leidster docente schuwde ik overigens dikwijls niet om hand en spandiensten aan het kraambed aan te bieden. Het tekort aan krachten maar ook het feit dat ik het leuk werk bleef vinden, droegen ertoe dat ik zo nu en dan zelf inviel als wijkkraamverzorgster.

Wie leidden de bevallingen in die periode van 24 jaar in dit gebied?

Aanvankelijk vooral de huisartsen met wie met het overgrote deel een uitstekende samenwerking bestond. Indien een leerling-kraamverzorgende voor de eerste keer bij een bevalling zou assisteren, dan belde ik die huisarts persoonlijk en vertelde dan dat dit haar eerste keer was. Altijd zei hij dan dat daar rekening meegehouden zou worden. Geleidelijk aan werd steeds meer deze plaats overgenomen door verloskundigen. Met de eerste was de samenwerking moeizaam, bij de daarop volgenden ging dit echter steeds moeilijker.

Hebt u zich nog bemoeid met het werk na uw pensionering?

Zeker, ik was nou niet direct het type om achter de geraniums te gaan zitten. Intensief heb ik me landelijk bemoeid met de sluiting van de kraaminternaten en de overgang naar de MBO-V. Veelvuldig werd ik ook nog gevraagd als gecommitteerde bij het afnemen van examens.

Als de bandrecorder afstaat, constateert ze dat op een mooi en arbeidzaam leven kan terugkijken. Het gaf haar veel voldoening. Over de hedendaagse kraamzorg is ze bepaald niet enthousiast. Ze zullen wel zeggen’ daar heb je zo een oud mens weer’ en ‘vroeger was alles beter’ maar met spijt in het hart heeft ze moeten constateren dat de aangeboden zorgverlening veel minder geworden is. Minder uren, minder deskundigheid. Vaak ook verschillende kraamverzorgenden op één dag rondom een kraamvrouw. Ze vraagt zich hardop af of de hedendaagse kraamverzorgsters nog weten hoe een menstruatiecyclus in elkaar zit. Naar haar mening heeft de MBO-V, waar voor niet minder dan vijf richtingen wordt opgeleid, de zaak geen goed gedaan. Maar de dingen gaan zo als ze gaan. Wel heeft dat arbeidzame leven er voor gezorgd dat ze nog veel oud collega’s regelmatig ontmoet. Vaak is dat meeleven met elkaars verdriet maar vaak wordt er dan ontzettend veel gelachen.

Spijkenisse, 2009

J.J.C. Huige

Naar boven